Noors Basis · Les 1.1 · Kennismaken
Na deze les kun je iemand begroeten en gedag zeggen, 's ochtends en 's avonds. Je zegt hoe je heet, vraagt hoe de ander heet en zegt hoe het met je gaat.
HerhaalStap 1
Dit is de eerste les. Een paar Noorse woorden ken je misschien al, van een vakantie of uit een serie. Probeer het eerst zelf.
LeesStap 2
Je komt aan in Oslo. Je huurt er een paar maanden een appartement. Je belt aan en de verhuurder doet open: Lars Haugen. Hij geeft je de sleutel.
Op de trap kom je daarna je buurvrouw tegen, Randi Berg. Ze is ouder dan jij. 's Avonds, als je de deur uit gaat, zie je haar weer.
In het gesprek heet je Sam. Zelf zeg je natuurlijk je eigen naam.
LuisterStap 3
| Noors | Nederlands |
|---|---|
| hei | hoi, hallo |
| god morgen | goedemorgen |
| god kveld | goedenavond |
| ha det | dag, tot ziens |
| takk | dank je |
| tusen takk | heel erg bedankt |
| vær så god | alsjeblieft (als je iets geeft) |
| unnskyld | sorry, pardon |
| velkommen | welkom |
| ja, nei | ja, nee |
| jeg, du, han, hun | ik, jij, hij, zij |
| å være, er | zijn, ben, is |
| å hete, heter | heten, heet |
| en nøkkel, nøkkelen | een sleutel, de sleutel |
| en nabo, naboen | een buurman of buurvrouw, de buurman of buurvrouw |
LeesStap 4
Lars vraagt: Er du Sam? Jij antwoordt: Jeg er Sam. Dat is het werkwoord å være, zijn.
| Nederlands | Noors |
|---|---|
| ik ben | jeg er |
| jij bent | du er |
| hij is | han er |
| zij is | hun er |
Hier heb je een voorsprong: het Noorse werkwoord heeft één vorm voor iedereen. Jeg er, du er, hun er. Hetzelfde geldt voor heter: jeg heter, du heter, han heter.
In het Noors zeg je du tegen iedereen: tegen de verhuurder, je buurvrouw, de dokter of je baas. Een woord voor "u" gebruik je niet. Beleefd ben je met takk: dat woord hoor je de hele dag. Ook voornamen zijn gewoon: Lars en Randi stellen zich voor met hun voornaam.
Hva heter du? is "hoe heet je?", maar hva betekent "wat". Een Noor vraagt dus letterlijk "wat heet je?". Zeg niet hvordan heter du. Hvordan is "hoe": dat gebruik je bij Hvordan går det?
Je hoort de Noren zingen: veel woorden hebben een melodie die eerst daalt en dan stijgt, zoals velkommen en takk for sist. Die melodie leer je door na te zeggen wat je hoort.
OefenStap 5
Kies wat je zegt.
4 vragen
Lars geeft je de sleutel. Wat zeg je?
Je loopt bijna tegen iemand aan. Wat zeg je?
Je geeft Randi een brief die bij jou in de bus zat. Wat zeg je?
Je gaat weg bij Lars. Wat zeg je?
Vul het werkwoord in: er of heter.
HerhaalStap 6
Een week nadat je deze les op Begrepen hebt gezet, staan hier 3 snelle vragen voor je klaar.

48 lessen · 8 modules · A1 · A2
Je stelt je voor, doet boodschappen, bestelt in een café en vindt de weg in Oslo, in het Noors zoals je het daar hoort.
Inclusief btw · eenmalig · levenslang toegang
Je hoeft geen account te maken. Na het betalen krijg je een mail waarmee je meteen kunt beginnen.
Voor de btw op je factuur. De prijs blijft gelijk.
Toch niet wat je zocht? Vraag binnen 14 dagen je geld terug.
Je betaalt via Mollie met iDEAL | Wero, Bancontact of een overboeking.
Heb je al een account? Dan kun je ook eerst inloggen.
Met je bestelling ga je akkoord met de algemene voorwaarden. Lees ook ons privacybeleid.
Het gesprek gaat in drie stukjes. Luister er een paar keer naar. De zinnen van Sam hoor je in een vrouwen- of een mannenstem: kies zelf.
Lars doet open. Hij begint, daarna praten jullie om de beurt.
Je sjouwt een doos de trap op en loopt bijna tegen Randi aan. Jij begint.
Je gaat de deur uit. Randi staat bij de brievenbussen. Zij begint.
Dit hoor je in het gesprek. Je hoeft het nog niet zelf te zeggen.
| Noors | Nederlands |
|---|---|
| Velkommen til Oslo! | Welkom in Oslo! |
| Bare hyggelig. | Graag gedaan. |
| Det går bra. | Geeft niet. (letterlijk: het gaat goed) |
| naboen din | je buurvrouw. Zo'n woord als din leer je in les 1.4. |
| I like måte! | Insgelijks! |
| Ha en fin kveld! | Fijne avond! |
Luister naar elke zin en zeg hem hardop na.
| Noors | Nederlands |
|---|---|
| Ja, hei! Jeg er Sam. | Ja, hoi! Ik ben Sam. |
| Tusen takk, Lars! | Heel erg bedankt, Lars! |
| Å, unnskyld! | O, sorry! |
| Hei! Jeg heter Sam. Hva heter du? | Hoi! Ik heet Sam. Hoe heet jij? |
| Hyggelig å hilse på deg, Randi. | Leuk je te ontmoeten, Randi. |
| God morgen! Hvordan går det? | Goedemorgen! Hoe gaat het? |
| Bare bra, takk. Og du? | Prima, dank je. En met jou? |
| Takk! Ha det! | Dank je! Dag! |
Denk aan het gesprek. Klopt het?
4 vragen
Lars geeft je de sleutel.
Randi is je buurvrouw.
Jij zegt tegen Randi "u", want ze is ouder.
's Avonds groet Randi je met *god morgen*.
Lees de situatie, zeg hardop wat je zegt en draai de kaart om.
1 / 4: Het is ochtend. Je ziet Randi bij de brievenbussen.
Typ de zin zelf. Daarna hoor je het voorbeeld en vergelijk je.