Noors Basis · Les 5.1 · Vrije tijd
Na deze les kun je in een paar zinnen na elkaar vertellen wat je gedaan hebt, met wanneer en waar. Je volgt een kort verhaal van een ander over het weekend en reageert erop.
HerhaalStap 1
Drie vragen over les 4.6. Probeer het eerst zelf.
LeesStap 2
Het is maandagochtend. Bij de bakker kom je Randi tegen. Zaterdag at je bij haar, zondag ging je met Ingrid wandelen. Randi vraagt hoe je weekend was. Jij vertelt over de wandeling, zij over het bezoek van haar dochter en kleinkinderen.
LuisterStap 3
| Noors | Nederlands |
|---|---|
| et bakeri, bakeriet | een bakkerij, de bakkerij |
| i går | gisteren |
| forrige uke | vorige week |
| etterpå | daarna |
| sliten | moe |
| en skog, skogen | een bos, het bos |
| et vann, vannet | een meer, het meer; water |
| hele dagen | de hele dag |
| en matpakke, matpakken | een lunchpakket, het lunchpakket |
| å besøke, besøker, besøkte | bezoeken, bezoekt, bezocht |
| å spise, spiser, spiste | eten, eet, at |
| å snakke, snakker, snakket | praten, praat, praatte |
| å lage, lager, lagde | maken, maakt, maakte |
| å bo, bor, bodde | wonen, logeren; woonde |
| å være, er, var | zijn, is, was |
| å ha, har, hadde | hebben, heeft, had |
| å gå, går, gikk | gaan, lopen; ging, liep |
LeesStap 4
Voor wat voorbij is, heeft het Noors een verleden tijd. Bij de meeste werkwoorden komt er een uitgang achter de stam:
| uitgang | voorbeeld | |
|---|---|---|
| -et | snakke, snakket; jobbe, jobbet | stam op twee medeklinkers |
| -te | spise, spiste; besøke, besøkte | stam op één medeklinker |
| -de | lage, lagde; prøve, prøvde | vaak na g of v |
| -dde | bo, bodde | stam op een klinker |
Een vuistregel, geen wet: leer de verleden tijd daarom met het werkwoord, zoals in de woordenlijst. De vorm is voor iedereen dezelfde: jeg spiste, vi spiste, de spiste.
Een paar werkwoorden doen het anders. Deze vier heb je nu al nodig:
| nu | toen |
|---|---|
| er | var |
| har | hadde |
| går | gikk |
| gjør | gjorde |
In het Nederlands vertel je vaak met "heb": "zondag heb ik gewandeld". In het Noors gebruik je voor iets wat afgerond is, met een tijd erbij, de verleden tijd: På søndag gikk jeg på tur. I går jobbet jeg. Een vorm met har bestaat ook; die leer je in les 8.5.
I går, gisteren. På søndag, zondag. I helga, in het weekend. Forrige uke, vorige week. Zet je zo'n tijd vooraan, dan komt het werkwoord eerst: I går jobbet jeg. (les 4.4)
Et vann is water, maar ook een meer: Vi gikk til et vann. We liepen naar een meer.
OefenStap 5
Vul de verleden tijd in.
Denk aan het gesprek. Klopt het?
4 vragen
Sam was zondag met Ingrid in het bos.
Ze aten in een café.
Na de wandeling was Sam moe.
Kari en de kinderen wonen in Oslo.
HerhaalStap 6
Een week nadat je deze les op Begrepen hebt gezet, staan hier 3 snelle vragen voor je klaar.

48 lessen · 8 modules · A1 · A2
Je stelt je voor, doet boodschappen, bestelt in een café en vindt de weg in Oslo, in het Noors zoals je het daar hoort.
Inclusief btw · eenmalig · levenslang toegang
Je hoeft geen account te maken. Na het betalen krijg je een mail waarmee je meteen kunt beginnen.
Voor de btw op je factuur. De prijs blijft gelijk.
Toch niet wat je zocht? Vraag binnen 14 dagen je geld terug.
Je betaalt via Mollie met iDEAL | Wero, Bancontact of een overboeking.
Heb je al een account? Dan kun je ook eerst inloggen.
Met je bestelling ga je akkoord met de algemene voorwaarden. Lees ook ons privacybeleid.
Bij een werkwoord staat nu ook de verleden tijd: å spise, spiser, spiste. Zo leer je hem meteen mee.
Randi begint. De zinnen van Sam hoor je in een vrouwen- of een mannenstem: kies zelf.
Je staat in de rij bij de bakker. Randi staat voor je.
Dit hoor je in het gesprek. Je hoeft het nog niet zelf te zeggen.
| Noors | Nederlands |
|---|---|
| Takk for sist! | Leuk je weer te zien! (letterlijk: bedankt voor de vorige keer) |
| Hva gjorde du? | Wat deed je? Gjorde is de verleden tijd van gjøre. |
| oss | ons |
| i en natt | één nacht |
| De reiser hjem i dag. | Ze gaan vandaag naar huis. |
Luister naar elke zin en zeg hem hardop na.
| Noors | Nederlands |
|---|---|
| Takk for sist! Middagen var veldig god. | Insgelijks! Het eten was heel lekker. |
| Jeg gikk på tur med Ingrid. Vi gikk til et vann i skogen. | Ik ben met Ingrid gaan wandelen. We liepen naar een meer in het bos. |
| Ja, litt. Men vi hadde kaffe og matpakke. Vi spiste ved vannet. | Ja, een beetje. Maar we hadden koffie en brood bij ons. We aten bij het meer. |
| Etterpå var jeg sliten. Jeg lagde middag og dusjet. Og du? Hva gjorde du? | Daarna was ik moe. Ik kookte en douchte. En jij? Wat deed jij? |
| Så hyggelig! Bodde de hos dere? | Wat leuk! Logeerden ze bij jullie? |
| I går jobbet jeg hele dagen. | Gisteren heb ik de hele dag gewerkt. |
| Forrige uke besøkte jeg Tor i Bergen. | Vorige week ben ik bij Tor in Bergen op bezoek geweest. |
Kies de goede zin.
3 vragen
Gisteren heb ik gewerkt.
We hadden koffie bij ons.
Wat deed je zondag?
Lees wat Randi vraagt, zeg hardop wat je antwoordt en draai de kaart om. Zeg wat bij jou past.
1 / 4: Randi vraagt: *Hva gjorde du på søndag?*
Typ de zin zelf. Daarna hoor je het voorbeeld en vergelijk je.